De dwaas en de koning
Er was eens een dwaas die op reis ging naar het paleis van de koning. Onderweg werd hij door de mensen nagewezen en uitgelachen

“Wat moet een dwaas als jij nu bij de koning?!” riepen ze spottend.“Nou, ik word de leraar van de koning,” antwoordde de dwaas met grote stelligheid.

Maar zijn antwoord bracht de mensen alleen maar meer aan het lachen. Toen de dwaas bij het paleis kwam, meende de koning dat hij korte metten kon maken met de dwaas en wel wat grappen met hem kon uithalen.

“Hoe kom je erbij de koning te durven storen?” vroeg de vorst op strenge toon.“Ik kom hier om uw leraar te worden,” zei de dwaas zelfverzekerd. De koning lachte zich krom. “Wat zou een dwaas als jij mij nou kunnen leren?”. “Ziet u wel,” zei de dwaas. “U stelt me meteen al een vraag”.

Het werd ijzig stil en alle leden van de hofhouding hielden de adem in. Ook de koning wist even niets te zeggen, maar toen vermande hij zich. “Ik moet toegeven dat je slim hebt gereageerd, maar mijn vraag heb je niet beantwoord.” “Alleen een dwaas heeft op alles een antwoord, koning.”

“Maar…” stamelde de koning verbouwereerd. “Hoe zouden mijn onderdanen het vinden als hun koning een dwaas als leraar zou hebben?” “Beter een dwaas als leraar, dan een dwaas als koning,” klonk het antwoord.

De koning was behoorlijk uit het veld geslagen door de antwoorden van de dwaas, maar probeerde toch met een heel slimme vraag de zaak nog te redden. “Maar als ik een dwaas als leraar neem, ben ik dan niet zelf een dwaas?”. “Alleen een dwaas zal altijd van zichzelf zeggen dat hij geen dwaas is, koning.”

En zo werd de dwaas de leraar van de koning.